January 20th, 2010
limo huren
Hoewel Bentley voornamelijk bekend was om zijn sportwagens (die de 24-uurs-race van Le Mans maar liefst vijfmaal gewonnen hadden), werd het opgekocht om de schitterende 8-liter limousine (die door de raad van bestuur van Rolls royce gezien werd als een bedreiging voor de Phantom II) de kop in te drukken. Toen Royce eenmaal de baas was, werd de productie van de bestaande Bentley modellen stopgezet en werd het merk nieuw leven ingeblazen. Hoewel alle modellen na 1933 gebaseerd zijn op bestaande limousines, hebben sommige toch een toepasselijk sportief tintje gekregen. Het 3,5-liter model was verwant aan zijn tijdgenoot de 20/25, de 4,25 aan de 25/30 en de Mark V was de Bentley versie van de Wraith. Toen in 1939 de Tweede Wereldoorlog uitbrak, was limousine’s positie als ’s werelds bekendste en meest gerespecteerde luxe auto onomstreden. Voor sommigen was alleen al het limo huren een uiting van rijkdom en succes, wat misschien gesymboliseerd werd door de op de klassieke oudheid geïnspireerde radiateur, die bekroond werd door de prachtige Spirit of Ecstasy-mascotte. De exclusiviteit van het merk werd nog vergroot door het feit dat elke limousine en Bentley van voor 1939 uniek was. Dit kwam doordat Derby, net als zo veel dure merken uit die tijd, enkel chassis bouwde. De auto werd daarna van een koetswerk voorzien door een bekende carrosseriebouwer, vaak geheel volgens de wensen van de klant. Net als de Eerste had ook de Tweede Wereldoorlog grote gevolgen voor limousine. Derby schakelde over op de bouw van vliegtuigmotoren, en hiervoor werd tevens een nieuwe fabriek gebouwd in Crewe.
Tijdens de oorlog nam limousine een voorsprong op het gebied van de straalmotortechniek en de productie werd geconcentreerd in Derby. Omdat er hierdoor geen ruimte meer was voor de auto’s, werden die vanaf 1946 gebouwd in de voormalige Merlin vliegtuigmotorenfabriek in Crewe. Ondertussen zag men in dat de aloude manier om auto’s te bouwen als een chassis dat voorzien werd van een met de hand gemaakte carrosserie, na de oorlog niet meer voortgezet kon worden. Men besloot dus om voor de meeste modellen over te stappen op de alom toegepaste methode van een carrosserie uit machinaal geperst staal. Maar dat betekende een minimumoplage van 5.000 exemplaren per model, wat in veel opzichten inging tegen limousine’s begrip van exclusiviteit. Deze nieuwe sedan-carrosserieën werden daarom toegepast op de Bentley Mark VI van 1946; de eerste zo gebouwde limousine verscheen pas in 1949. In 1955 kreeg het idee een vervolg met de echte integratie van de namen limousine en Bentley: de Silver Cloud en de S-serie modellen waren identiek, op de radiateurs na. Desondanks had Bentley een opleving meegemaakt met de speciaal ontworpen tweedeurs R-type Continental van 1952, die een carrosserie had van J.J. Mulliner en dui-delijk de sportieve inslag van het merk onderstreepte. Hij werd (als S-type) gebouwd tot 1959.
October 30th, 2009
uitzendbureau
Afgaande op de geluiden die de directeuren/personeelsfunctionarissen in inlenende bedrijven laten horen is er in de afgelopen 5 jaar weliswaar sprake geweest van een trend richting langer worden van de gemiddelde inleenduur van uitzendkrachten, maar tegelijkertijd geven zij signalen dat deze tien in de komende jaren zal verdwijnen of in ieder geval minder duidelijk aanwezig zal zijn. Men verwacht voor de komende jaren namelijk even vaak een verkorting als een verlenging van de gemiddelde inleenduur van uitzendkrachten. Bovendien gaat het bij de directeuren/personeelsfunctionarissen die een verlenging verwachten vooral om inlenende bedrijven waar uitzendkrachten tot nog toe voor (vrij) korte perioden, dat wil zeggen korter dan een half jaar, worden ingeleend. Bij de gedetacheerden ligt de situatie enigszins anders. Van de bedrijven die met gedetacheerden werken, geeft 14 procent te kennen dat het eerder regel dan uitzondering is dat gedetacheerden langer dan 2 jaar blijven. De herziene WOR heeft echter alleen voor uitzendkrachten medezeggenschapsrechten in de inlenende bedrijven mogelijk gemaakt. Voor gedetacheerden is dit expliciet uitgesloten.
In het kader van dit onderzoek zijn telefonische interviews gehouden met directeuren/personeelsfunctionarissen van 300 inlenende bedrijven. Daarnaast zijn telefonische interviews gehouden met 167 ingeleende krachten uit 105 van deze 300 bedrijven. Van deze 167 zeggen er 88 dat zij in het inlenend bedrijf werken als uitzendkracht en 76 dat zij in de positie van gedetacheerde verkeren. De 88 uitzendkrachten zeggen praktisch zonder uitzondering dat zij afkomstig zijn van een uitzendbureau. Het merendeel van hen geeft op daar als uitzendkracht te staan ingeschreven, terwijl een minderheid gewag maakt van een tijdelijke (26%) of vaste (5%) aanstelling bij het desbetreffende uitzendbureau. De 76 gedetacheerden geven vrijwel allemaal te kennen dat zij een vaste (55%) of tijdelijke (33%) aanstelling hebben bij het uitlenend bedrijf. Bij deze uitlenende bedrijven gaat het meestal om uitzendbureaus (37%) of detacherings bedrijven (31 %). Uitzendkrachten worden vrijwel steeds ingeleend voor het verrichten van uitvoerende en/of administratieve/ondersteunende werkzaamheden. Bij gedetacheerden is dit in mindere mate het geval. Zij worden ook nogal eens ingeleend voor specialistische en - in mindere mate - voor leidinggevende functies.
Inlenende bedrijven hebben meestal meerdere argumenten om met uitzendkrachten en/of gedetacheerden te werken. Een van de meest genoemde argumenten is dat het inlenen van werknemers tevens de mogelijkheid biedt om hieruit werknemers voor vaste aanstellingen te selecteren. Dit vindt in de praktijk ook vaak plaats. Van de bedrijven met uitzendkrachten in dienst heeft ruim driekwart in 1999 een of meer uitzendkrachten in vaste dienst genomen. Gemiddeld hebben deze bedrijven in 1999 ruim 5 uitzendkrachten in vaste dienst genomen. Van de bedrijven met gedetacheerden in dienst heeft bijna de helft in 1999 een of meer gedetacheerde werknemers in vaste dienst genomen. Gemiddeld hebben zij in 1999 één gedetacheerde in vaste dienst genomen. Deze overgang van ingeleende kracht naar vaste medewerker impliceert dat de desbetreffende personen automatisch onder de werkingssfeer van de WOR vallen en, na in achtneming van de wettelijk voorgeschreven termijn, actief en passief kiesrecht kunnen claimen. Zo te zien levert deze rekruteringsstrategie van de werkgevers vaker medezeggenschapsrechten op voor (voormalige) uitzendkrachten/gedetacheerde n dan de herziening van de WOR.
October 6th, 2009
auto importeren
Wij als Nederlanders hebben geen problemen om vele automerken op te noemen. Toyota, Opel, Volkswagen, Nissan, BMW enzovoort. Maar waar komen al deze auto’s nu vandaan? En wat is het hele proces achter deze auto’s. Het woord auto importeren klinkt ons bekend in de oren, maar is het ook zo eenvoudig zoals het lijkt. Om eens een simpel voorbeeld te noemen, de Toyota Prius dit is een zeer bekende auto geworden, en deze auto word ook geïmporteerd. Wij zien deze auto in de showroom staan, en als we deze auto willen kopen gaat het ons om de uitstraling, en alle kleine dingen om de auto heen. Maar deze auto heeft al een reis op zich gemaakt, die reis kan soms wel weken tot maanden duren. De accu en de auto worden op verschillende plaatsen gemaakt, daarna word de auto geïmporteerd naar een ander land toe. Van vrachtschepen tot vrachtwagens vol met deze auto’s worden verscheept en vervoerd naar andere landen. Daar sta je dan bij de auto dealer, en voor je staan een auto die geïmporteerd is. Een Simpel voorbeeld tussen door is de Toyota Aygo wanneer je deze besteld kost het soms wel zes weken voordat deze thuis is. Tegenwoordig word er onderling met Dealers gekeken, of er bijvoorbeeld nog een model bij de andere dealer staat, zodat de wachttijden kunnen worden ingekort. Maar deze gewilde auto’s hebben dus al vaak een lange reis meegemaakt, voordat ze pas in gebruik worden genomen.
Wij consumenten weten dus weinig af van auto importeren, al weten we dat in ons achter hoofd wel. Verder zit er immers geen gevaar aan. Als we mogen kiezen tussen een auto uit eigen vaderland of andere landen, kiezen we toch al vaak voor het laatste, maar waarom toch. Vrij eenvoudig techniek moet ontwikkelen en daarom gebruikten we in het voorbeeld ook de Toyota Prius, en veel besproken stuk techniek dat zich razendsnel ontwikkeld. In Japan word deze auto voor ons ontwikkeld, en wij importeren deze auto en genieten van deze wagen. Wij Nederlanders laten de auto’s voor ons ontwikkelen.Om auto’s te importeren kost dus veel tijd en bespaard veel geld. In andere landen zijn de arbeiders goedkoper, en het productie proces is vele malen goedkoper dan hier in Nederland. Vaakt lijkt het zelfs hoe dichter bij de auto bij ons eigen land word gemaakt hoe duurder de auto is, neem maar eens de BMW en de Volkswagen een Duitse auto maar vaak veel duurder dan een Toyota. Dus wij als Nederlanders hebben alleen maar voordeel bij auto’s importeren uit andere landen. En we houden er mooie wagens aan over.
Is het erg om een geïmporteerde auto te hebben, helemaal niet, we rijden ondertussen er allemaal in rond. En de Dealers kunnen je gewoon helpen bij pech en onderhoud, gelukkig hoeven we daar voor de auto’s niet weer die lange reis te laten maken, voordat ze gemaakt kunnen worden. Een korte rit naar de dealer is voldoende. Dus een import auto is zo gewoon dat we er zelf geen erg meer in hebben.
September 29th, 2009
kerstpakketten
In tegenstelling tot zijn hervormer zag menig protestant de kerstboom als haaks op de bijbel en als Verbeelding’ van het geloof. De kribbe en kerststal ondergingen trouwens eenzelfde lot. Katholieken van hun kant vonden de kerstboom dan weer te protestants en opteerden enkel en alleen voor het geven van kerstpakketten en het kerststalletje. Ook de toenmalige folkloristen in onze streken waren niet meteen voor de kerstboom gewonnen. Hoewel er een Germaanse mystieke sfeer rond hing, stoorde het hen vooral dat het om klinkklare import ging. De Duitse soldaten die tijdens de twee wereldoorlogen bij ons ingekwartierd waren, waren de beste propagandisten van de spar en zorgden voor de grote vlucht van deze boom. Een regelmatig terugkerende verzuchting destijds luidde: ‘Laat Duitsland zijn kerstboom en kerstkind, maar laat ons Sinterklaas’. Maar de verspreiding had zich al veel te sterk doorgezet, zodat van een weg terug geen sprake meer kon zijn. Het resultaat is dat tegenwoordig driekwart van de huisgezinnen er een plaatst. Het ‘O Tannenbaum, o Tannenbaum’ had zich meester gemaakt van onze contreien, en dat voorgoed en algemeen verbreid na de Tweede Wereldoorlog.
Het versieren van de kerstboom: kerstballen, slingers, piek Het opsmukken van onze dennenboom heeft diepere motieven dan uiterlijk vertoon. Oude heidense gebruiken liggen aan de grondslag ervan. Zoals we reeds aangaven, versierden en beschilderden onze voorvaderen in de duistere Middeleeuwen, toen men nog in boomgeesten geloofde, de kaal geworden bomen. Door de aangebrachte versieringen, door de bomen als het ware aantrekkelijk te maken, hoopte men de boomgeesten terug te lokken. Dit gebruik gaat nog verder terug in de tijd. Volgens de bijbel geschiedde het vereren van bomen onder andere door deze te versieren met bijvoorbeeld goud en zilver (Jer. 9:4). In het oude Babyion werden daartoe afbeeldingen van zon, maan en sterren gebruikt. Men zag ook heil in de slingers van bloemen als offer voor de boomgeest. Soms ging het er gruwelijk aan toe. De Kelten schrokken er bijvoorbeeld niet voor terug om dode vogels op te hangen in de zogenaamde offerboom. Of men hing er poppen in die dan fungeerden als mensenoffer. Mogelijk betrof het in een nog verder verleden zelfs echte mensenoffers.
Getuigenissen van versierde dennenbomen duiken in Europa weer het eerst op in de Duitse Elzas. In de stad Turkheim, waar zich veel wijnbouwers en kooplieden ophielden, werden aantekeningen van tussen 1597 en 1669 gevonden, waarin sprake is van het zich aanschaffen van ouwels, appelen, gekleurd papier en draad als decoratiemateriaal. Voorts zijn er in dezelfde streek meldingen van versieringen met gebak en appels. In het begin 17de-eeuwse Straatsburg werd de den met kerstavond opgesmukt met suikerfiguren, oblaten (hosties), papieren rozen en appels. Vanaf het ogenblik dat de kerstboom zijn opwachting maakte in de huiskamer, kwam er meer variëteit in de decoratieartikelen: fruit, papieren rozen, glazen kralen, snoepgoed en kaarsen. In andere streken gebruikte men houten piramides, opgebouwd uit samengebonden takken, evenals kleine boompjes, die men versierde en op de tafel plaatste. Of men hing bomen omgekeerd aan de zoldering, om die vervolgens op te smukken met kaarsen. De laatste 150 jaar hebben weer andere trends hun stempel erop gedrukt.
September 17th, 2009
kantoormeubelen
Indien werknemers voor bepaalde werkzaamheden bedrijfskleding gebruiken waardoor zij zich op kantoor moeten verkleden, is daarvoor een kleedruimte ter beschikking. De kleedruimte moet gemakkelijk bereikbaar zijn, voorzien zijn van gebruikte kantoormeubelen en voldoende ruim zijn. Voor mannen en vrouwen moeten aparte kleedruimten aanwezig zijn. Voor het opbergen van de kleding die men niet tijdens het werk draagt, moeten afsluitbare kledingbergplaatsen ter beschikking staan. Er moeten in het kantoor voldoende toiletten aanwezig zijn in de nabijheid van de werkplekken. Voor bepaling van het aantal toiletten gebruikte men vroeger de vuistregel één toilet op vijftien medewerkers. Op dit moment is deze regel vervallen, wel gelden de regels uit het Bouwbesluit waar het aantal toiletten wordt bepaald aan de hand van de vloeroppervlakte. De toiletten zijn, wanneer dat mogelijk is, gescheiden naar sekse. De toiletten moeten verder goed schoongehouden en geventileerd worden en voorzien zijn van wastafels om de handen te wassen na gebruik. In kantoren zal het niet vaak voorkomen dat douchegelegenheden nodig zijn. Dit is alleen het geval als de aard van de werkzaamheden of de hygiëne dit vereist, zoals bij omgang met vervuilende, gevaarlijke of biologische stoffen.
Het plaatsen van wegwijzers is in kantoorgebouwen van belang: om te verwijzen naar nooduitgangen, brandblusmiddelen, vluchtwegen en EHBO-posten volgens het Arbobesluit; om bezoekers de weg te wijzen naar de juiste persoon of afdeling; ter aanduiding van kamers, vergaderzalen et cetera (namen en/of kamernummers). Algemeen kan gesteld worden dat de instructie kort, eenvoudig en goed leesbaar moet zijn en dat de wegwijzers op een gemakkelijk waarneembare plaats moeten zijn aangebracht. Symbolen, afmetingen, kleuren en dergelijke van de tekens zijn genormeerd in NEN 6088 en in hoofdstuk 8 van de Arboregeling. Ook op kantoren vereist de veiligheid de nodige aandacht: vele kleinere ongevallen kunnen eenvoudig voorkomen worden. De meest voorkomende ongevallen in kantoren betreffen het vallen of struikelen. Zorg daarom voor: Noodverlichting, veilige trappen, slipvrije en effen vloeren, voldoende ruimte op de werkplek, voldoende ruime loop- en vluchtroutes, zonder obstakels als losliggende kabels en snoeren op de werkplek, markering van glazen wanden dan wel afscherming van deze glazen wanden tegen aanraking met werknemers veilige deuren.
Op transparante deuren moet altijd op ooghoogte een markering zijn aangebracht, terwijl klapdeuren van een transparant deel moeten zijn voorzien. Automatisch openende en sluitende deuren mogen geen gevaar voor de werknemers opleveren. Schuifdeuren moeten voorzien zijn van een beveiliging tegen het uit de rails lopen, ramen die zodanig ontworpen zijn dat ze in geopende stand geen gevaar kunnen opleveren voor de werknemers en dat ze schoongemaakt kunnen worden zonder gevaar voor de glazenwassers en voor de werknemers in het kantoorgebouw. Voor de elektrische veiligheid in kantoren wordt voor kantoren aangesloten bij NEN 1010 en NEN 3140.
Een kantoor beschikt over voldoende geschikte en goed bereikbare en gemarkeerde brandbestrijdingsmiddelen en waar nodig branddetectoren en alarmsystemen. Voor de keuze van de juiste middelen. Op basis van deze informatie moet in elk individueel geval invulling gegeven worden aan het aantal en de inrichting van de vluchtmogelijkheden en -wegen, de brandbestrijdingsmiddelen en de reddingsmiddelen. Hierbij moet ook het Bouwbesluit en de Brandbeveiligingsregeling (BBR) gevolgd worden.
July 28th, 2009
overhemden
In de jaren zeventig ontdekte de avant-garde een nieuwe manier om aan ‘hippe’ overhemden te komen. Boetiekeigenaren haalden niet alleen (goedkope) folkloristische –overhemden uit India en Pakistan (meestal vervaardigd van inferieure katoensoorten, slordig versierd en in groten getale voor de export gemaakt). Daarnaast bloeide, aanvankelijk schuchter, een tweedehands handel op waarbij legershirts, Hawaï- en Waikiki-hemden en vooroorlogse overhemden(zonder boord of manchetten) voor schappelijke prijsjes van de hand gingen. Het was vooral de jonge generatie die zich in snuffelwinkel of op vlooienmarkt durfde te begeven. Voor ouderen was de herinnering aan de noodzaak van tweedehands kleding nog te levendig. Kort na de Tweede Wereldoorlog was er door de Amerikaanse en Canadese legers nogal wat soldatenkledij achtergelaten die voor velen in Europa in de eerste behoefte voorzag.
Maar ook voor die tijd, en dat zijn de vele ‘beschaafde’ eeuwen daarvoor, vormde tweedehands kleding de bron voor een geëigend handelskanaal voor iedereen die geen nieuwe kleding kon betalen. Huispersoneel werd vaak beloond met afgedankte kleding van meneer of mevrouw. Een feodaal trekje dat nog altijd voortleeft in de kleding van obers. Doordat personeel gekleed ging in oude kleren (die vaak nog fraai oogden maar niet langer aan de meest modieuze normen voldeden) werd het op den duur een vorm van ‘chic’ om knechten en meiden ouderwets gekleed te laten gaan. Toen het rokkostuum als daagse dracht werd afgedankt, mocht de dienstknecht er nog in doorlopen. En obers doen heden ten dage nog hun werk in het allang als daagse kledij afgedankte smokingpak (zij het in een nieuwe uitvoering). In Honolulu dragen de zakenmannen de gehele week een keurig klassiek overhemd, maar op vrijdag verwisselen ze dat al voor het traditionele Aloha-shirt met weelderige flora en faunamotieven. Waarmee onderstreept wordt dat het dragen van een bepaald shirt afhankelijk is van tijd, plaats en handeling.
July 24th, 2009
shutters
Hoe hoger de shutters, hoe groter dus de kastHet doek (ook wel bespanning genoemd) is in een vijftal verschillende soorten te verkrijgen. De basis is gepolyvinyliseerd glasvezeldoek. Soort 1: glasvezeldun Natte/Tamisol soort 2: glasvezel dik Serge/Satiné soort 3: verduistering Se + coating/zwart/zwart rubberdoek soort 4: soltis dun 86, voor gespannen/door gesmolten doek soort 5 soltis dik 92, voor gespannen/door gesmolten doek De keuze van het soort doek is afhankelijk van de vraag, hoeveel licht men wil weren, hoeveel doorzicht men wil houden en de treksterkte. Het doek is in veel verschillende kleuren te verkrijgen. De onderlat hangt onder aan het doek en wordt geleid door de zijgeleiding (profiel of spandraad). In de onderlat wordt als verzwaring een staf (staal) aangebracht voor windvastheid. Doordat het gewicht van de shutters laag is, is het eenvoudig om hem met de hand te bedienen. In kantoorgebouwen worden ze echter vaak met buismotoren uitgerust, zodat ze centraal bediend kunnen worden. Bediening gebeurt meestal van binnenuit. Band/koordbediening, handmatige bediening door middel van een lint/band op een haspel met veer (waardoor het lint automatisch oprolt). Dit is de meest toegepaste bediening bij shuters.
Elektrische bediening: het bedienen gaat door middel van een motor die elektrisch aangedreven wordt. De motor zit in de oprol as. We noemen een dergelijke motor een buismotor. De bediening van de motor gaat door middel van een op neer schakelaar die op de muur wordt gemonteerd. Binnen mono-commando/buiten oogwindwerk, het bedienen gaat door middel van een stang met een slinger. Koord/staaldraad, het bedienen gaat door middel van een koord of staaldraad dat op een liertje zit. Dit wordt weinig toegepast, maar heeft als voordeel dat de draad onder een bepaalde hoek de geleiding in kan. Dit in tegenstelling tot het band dat recht de geleiding in moet. De shutters wordt meestal in de dag, op het kozijn geplaatst. De shutters wordt bevestigd aan het gebouw, door middel van de zijgeleiders of door middel van de bovenbak. Montage met dragende zijgeleiders Bij montage door middel van zijgeleiders wordt de geleider op de bouwkundige constructie bevestigd door middel van schroeven (plaatschroeven). Bij een steenachtige ondergrond wordt de geleider door middel van een plug bevestigd. De afstand van de schroeven mag maximaal 500 mm bedragen. Zijn de geleiders goed gemonteerd, dan schuift men de bovenbak gewoon op de geleiders. Bij montage moet goed rekening gehouden worden met mogelijk uitstekende delen van het hang- en sluitwerk van de bewegende delen in het kozijn. Bij montage in de dag worden gaten geboord door de strip van de geleider en dan vastgezet met een schroef waarop een dopje past. Montage op een kunststof of aluminium kozijn gebeurt door middel van een klikblokje dat vooraf op het kozijn is gemonteerd of als boven omschreven.
July 22nd, 2009
hardsteen
Ook de plaatdikte speelt daarbij een rolVoor een twee centimeter dikke plaat is een tolerantie toegelaten van twee millimeter omhoog en omlaag, zodat de druk op de slijpschijf geregeld moet worden bijgesteld. BIJ al deze bewerkingen kunnen kleine gebreken In en van de steen, vooral bij gekleurde marmersoorten, door gebruik van harsen of kunstharsen worden gecorrigeerd. Wanneer vroeger uit een ruw blok een vlak oppervlak moest worden gehakt, vormde een van de voornaamste bewerkingen het zogenaamde frijnen. Door bepaalde polsbewegingen werden de laatste oneffenheden met de platte beitel afgeschept. Door het regelmatige ritme van de slagen naast elkaar, ontstond een f rijnslag In de richting van de bewerking. Afhankelijk van de kwaliteit steen kon het frijnen fijner of grover worden uitgevoerd. Bij een speciale uitvoering sprak men van de kathedraalslag. Deze bewerking werd vooral bij hardsteen veel gevraagd. Ze werd uitgevoerd door specialisten, vooral wanneer het om de bewerking van gezaagde platen ging. Het werk was monotoon en kostte zeer veel arbeid.
Zoekend naar nieuwe wegen, monteerde men op zaagmachinekoppen stalen schijven met Lida of tungsten-metalen tanden die de voren in de steen ploegden. Niet tegenstaande deze machinale frijnslag regelmatiger is dan het handwerk, is het in grote vlakken nauwelijks van het traditionele handwerk te onderscheiden. Omdat de tanden bij het frijnen van sommige leisteensoorten met gaatjes of schelpen onregelmatige stukken uitsloegen, werden de tanden op de schijven door zagen vervangen. Deze dicht tegen elkaar geplaatste zagen slijpen zeer regelmatig voren in het leisteenoppervlak. Wordt dit oppervlak te eentonig, dan kunnen de zagen op 0,5 tot 3 cm van elkaar worden geplaatst. De ruggen die tussen de zagen blijven staan worden later met een beitel weggeslagen, waardoor een minder regelmatig effect wordt bereikt. Met de puntbeitel kan men ook alleen de ruwste oneffenheden wegwerken. Het oppervlak blijft dan zeer ruw en de structuur kristallisatie blijft duidelijk zichtbaar. Door de beitel in één richting en vlak voort te slaan, kan tekening in het oppervlak worden gebracht. Deze bewerking kan ook machinaal uitgevoerd worden. Gekloofde steen kan ook zonder meer gebruikt worden, maar de voegkanten worden dan zeer ongelijk. Dit kan voorkomen worden door de randen rondom van scheluwe te slaan, de voegen komen dan iets dieper te liggen, maar de platen sluiten op elkaar aan.
July 15th, 2009
trouwringen
Beginjaren dertig deden zich echter nog geen opvallende veranderingen voor in de vormgeving van de sieraden zelf. Uit de schaarse berichten, en vooral uit de toon van deze berichten, komt duidelijk naar voren dat het Nederlandse werk in de jaren dertig over het algemeen bescheiden van aard was. De invloed van de economische crisis is eerder aantoonbaar in teksten uit die tijd dan in de trouwringen zelf. In het vakblad Goud en Zilver was de zilvercrisis rond 1930 een terugkerend thema. In het nummer van januari 1930 werd een artikel gewijd aan de dalende zilverprijs die toen, na een voortdurende daling in 1929, een nieuw laagterecord had bereikt. De oorzaken hiervoor lagen ver buiten Nederland; er was een overaanbod gecreëerd door de ‘abnormale politieke gebeurtenissen in China’ en de verkopen van ‘ontmunt zilver onder meer door de Britsch-Indische regering’. In de daaropvolgende nummers kwam het thema regelmatig terug. In het nummer van mei 1931 met de titel ‘Crisis en Malaise’ werd een pleidooi gehouden om een resolutie uit 1914 weer in te voeren. Toen mocht men onverkoopbare goederen omsmelten om beter verkoopbare artikelen te vervaardigen, zonder dat er waarborgbelasting betaald hoefde te worden. Dat had resultaat, zij het met enige vertraging. Onder verwijzing naar de crisistijd werd op 13 september 1934 toegestaan om onverkoopbare nieuwe voorwerpen bij het waarborgkantoor te laten verbreken tegen teruggaaf van de waarborgbelasting, die verrekend zou worden met de belastingen die voor nieuw gemaakte goederen betaald moesten worden.
Ondertussen was de zilverprijs echter weer stabiel en er was ook rust op de goud- en platinamarkt. Maar de lamlendige mentaliteit in het vak bleef; hij werd samengevat in een tekst in vette letters in het meinummer van 1932, die met zijn zwarte omkadering als een rouwadvertentie aandeed.29 Ook in de nummers van juli en augustus 1932 werden hoofdartikelen gewijd aan de economische depressie en het vak. Pas in december 1933 kwam de propagandacommissie met haar rapport uit, waarin de plannen voor de vakpers, de dagbladen en andere media werden toegelicht om het vak de broodnodige impulsen te geven. Als slagwoord had men voor de volgende tekst gekozen: ‘Echt zij uw sieraad – gouden trouwringen.’ Deze actie werd ondersteund door een advertentiecampagne in 6 grote dagbladen. Voor de eerste foto werden sieraden en zilverwerk ‘in de sfeer van feestelijkheid’ geselecteerd, namelijk een feesttafel, gedekt met zilveren bestek en opgeluisterd met zilveren kandelaars. Een dame met een monumentale hanger en verschillende armbanden kwam gedeeltelijk in beeld, terwijl aan het manchet van de heer naast haar nog zijn trouwringen zichtbaar waren. De huiselijke gezelligheid, de vlotte allure van het sportleven en de man in de zakenomgeving zouden ook nog aan de beurt komen. Het eerste deel van het bedrag dat nodig was voor het opzetten van deze campagne was bijeengebracht door het invoeren van een spaarsysteem met zegels die door de leden werden gekocht.